module stevigheid en beweging

 

in deze module heb je geleerd:

1       delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen, in afbeeldingen aanwijzen en in situaties waarin dit relevant is functie(s) en werking beschrijven, inclusief een aantal microscopische en macroscopische details

2        beschrijven wat er gebeurt bij bepaalde vormen van overbelasting van het bewegingsapparaat tijdens het werk en bij sport en hoe deze overbelasting zoveel mogelijk vermeden kan worden.

 

 

 

het geraamte van een mens bestaat uit de schedel, de wervelkolom, de borstkas, de schoudergordel, de bekkengordel en ledematen. de functies van het skelet zijn: stevigheid geven aan het lichaam, tere organen beschermen, beweging van het lichaam mogelijk maken en vorm aan het lichaam geven.

 

 

 oefen het geraamte

 



er zijn twee soorten beenderen: pijpbeenderen en platte beenderen. pijpbeenderen zijn langwerpig en hol en komen vooral in de ledematen voor. in de kop van een pijpbeen zit rood beenmerg. in het rode beenmerg worden bloedcellen gemaakt. tussen de koppen van een pijpbeen ligt een soort holle pijp die gevuld is met geel beenmerg. in de mergholte is vet opgeslagen. in platte beenderen zit wel rood beenmerg, maar geen mergholte en geen geel beenmerg.

 

beenderen kunnen uit twee soorten weefsels bestaan: kraakbeenweefsel en beenweefsel. kraakbeenweefsel is stevig en buigzaam. beenweefsel is hard, stevig en niet buigzaam. door de kalkzouten is een weefsel stevig en door lijmstoffen is een weefsel buigzaam.

 

 pijp beenderen

  platte beenderen

 

botten kunnen op vier manieren met elkaar verbonden zijn: door vergroeiing, door een naad, door kraakbeen of via gewrichten.

botten die met elkaar vergroeid zijn vormen één geheel en kunnen niet bewegen ten opzichte van elkaar. botten die door een naad zijn verbonden vormen geen geheel, maar kunnen niet ten opzichte van elkaar bewegen. botten die door kraakbeen zijn verbonden kunnen een klein beetje ten opzichte van elkaar bewegen. botten die met gewrichten zijn verbonden kunnen heel goed ten opzichte van elkaar bewegen.

 

Oefen stevigheid

 

 

 

een schedel heeft een naad verbinding

oefen het schedel

 

 

gewricht

 

bij een gewricht zit in het ene bot een gewrichtskogel met een laagje kraakbeen en in de andere een gewrichtskom met ook een laagje kraakbeen. de kogel en de kom passen precies in elkaar. om het gewricht zit het gewrichtskapsel. hierdoor zitten de botten aan elkaar vast en blijven ze op hun plaats. het gewrichtskapsel maakt gewrichtssmeer dat als een smeermiddel werkt. om sommige gewrichten zit een kapselband om voor extra stevigheid te zorgen.

 

 

 

 

 

er zijn drie verschillende soorten gewrichten: het kogelgewricht, het scharniergewricht en het rolgewricht. bij een kogelgewricht kan een bot alle kanten op draaien, bij een scharniergewricht kan een bot alleen heen en terug bewegen en bij een rolgewricht draait het ene bot in de lengte om het andere bot.

 

 

  Meer uitleg

 

Spieren

 

 

 

Door spieren kan je botten laten bewegen. Om een spier zit bindweefsel wat de spier stevigheid geeft. Dit bindweefsel heet de spierschede. De uiteinden van de spier gaan over in pezen. De pezen zitten vast aan de botten. In de spierschede zitten spierbundels. De spierbundels bestaan uit spiervezels. De spiervezels ontstaan door samensmelting van spiercellen. De spiervezels kunnen impulsen krijgen van de hersenen, waardoor ze zich samentrekken. De spier wordt dan korter en dikker. Hierdoor vindt beweging plaats.

 

 

 

 

 Kijk hoe een spier werkt  

 

 

 

Spieren zorgen voor de lichaamshouding. Bij een goede lichaamshouding heeft de wervelkolom een dubbele s-vorm. De rugspieren zitten aan de wervelkolom vast en moeten er voor zorgen dat de wervelkolom in de goede vorm wordt gehouden. Tussen de wervels zitten stukjes kraakbeen die schokken kunnen opvangen. Deze stukjes kraakbeen heten tussenwervelschijven. Door de tussenwervelschijven kan de rug bewegen.

Kruiswoordpuzzel stevigheid en beweging

Als er bij een beweging iets verkeerd gaat kan je spierpijn of een blessure krijgen. Spierpijn kan je krijgen door een inspanning die je niet gewend bent of door het te snel afkoelen van je spieren. Ook kunnen de spiervezels scheuren (spierscheuring). Een spierscheuring in de kuitspier heet een zweepslag. Een voetbalknie is het scheuren van het kraakbeen dat tussen de twee botten van het kniegewricht zit. Dat kraakbeen heet de meniscus. Een kneuzing is een zwelling van weefsel. Dan is er niks gescheurd of gebroken. Een verzwikking is een kneuzing van een gewricht. Bij een ontwrichting schiet een gewrichtskogel uit de gewrichtskom.

 

 

Oefentoets